Rubric

Over de Rubric en de aspecten van de causaal redeneren bij “De feiten voorbij” (klik op afbeelding)

Rubric Causaal redeneren – De feiten voorbij (pdf)

Multicausaliteit

Niveau 1 Niveau 2 Niveau 3 Niveau 4

Leerling noemt geen of één oorzaak voor een historische gebeurtenis.

Leerling noemt meerdere oorzaken voor een historische gebeurtenis.

Leerling noemt meerdere oorzaken van een gebeurtenis en maakt daarbij onderscheid tussen concrete gebeurtenissen en abstracte verschijnselen

Leerling noemt meerdere oorzaken van een gebeurtenis, maakt daarbij onderscheid tussen concrete gebeurtenissen en abstracte verschijnselen en ordent verschijnselen naar sociaal-economische, politieke en culturele oorzaken.

Verbanden leggen

Niveau 1 Niveau 2 Niveau 3 Niveau 4

Leerling noemt geen verbanden tussen oorzaken.

Leerling geeft aan hoe oorzaken met elkaar in verband staan en doet dit vooral op lineaire wijze (omdat, doordat, het gevolg was, enz.).

Leerling geeft aan hoe oorzaken met elkaar in verband staan en maakt onderscheid tussen verschillende soorten oorzaken (direct, indirect, aanleiding (meest directe oorzaak), gevolgen op de lange en korte termijn).

Leerling geeft aan hoe oorzaken met elkaar in verband staan en gebruikt genuanceerde taal om aan te geven welke rol verschillende oorzaken spelen, zoals: triggers, katalysators en achtergrond oorzaken. En redeneert met bedoelde en onbedoelde gevolgen.

Historische
begrippen

Niveau 1 Niveau 2 Niveau 3 Niveau 4

Leerling gebruikt geen historische, of historisch onjuiste, historische begrippen.

Leerling gebruikt historische begrippen op correcte wijze.

Leerling gebruikt historische begrippen op correcte wijze en verheldert deze begrippen in de redenatie.

Leerling gebruikt historische begrippen op correcte wijze en verheldert deze begrippen in de redenatie. Abstracte begrippen (verschijnselen/ontwikkelingen) worden verbonden aan concrete historische gebeurtenissen en personen.

Conclusies
trekken

Niveau 1 Niveau 2 Niveau 3 Niveau 4

Leerling geeft geen conclusie.

Leerling geeft een conclusie door een samenvatting te geven van eerder genoemde oorzaken.

Leerling vat in de conclusie het belang van oorzaken samen (opsomming), maar maakt wel onderscheid in gewicht (gebruik van woorden als “de belangrijkste”). Leerling onderbouwt dit belang echter nog niet.

Leerling weegt in de conclusie het belang van verschillende oorzaken tegen elkaar af en beargumenteert zijn of haar keuze (bijvoorbeeld op basis van schaal, intensiteit, of duur). De conclusie heeft vaak de vorm: enerzijds, anderzijds.

Onderbouwen /
bewijs

Niveau 1 Niveau 2 Niveau 3 Niveau 4

Leerling onderbouwt zijn beweringen niet.

Leerling onderbouwt zijn beweringen vooral op basis van algemene kenmerken (“keizers willen macht”).

Leerling onderbouwt zijn beweringen met oog voor historische context.

Leerling onderbouwt zijn beweringen met oog voor historische context en verwijst (op kritische wijze) naar historisch bewijs.

Interpretatie
leggen

Niveau 1 Niveau 2 Niveau 3 Niveau 4

Leerling begrijpt dat slechts 1 verklaring de juiste kan zijn

Leerling begrijpt dat er meerdere verklaringen kunnen worden geschreven. Beargumenteert dit vooral vanuit verschillende meningen (bias) van historici.

Leerling begrijpt dat er meerdere verklaringen kunnen worden geschreven. Beargumenteert dit vooral vanuit de onvolledigheid en/of partijdigheid van bronnen.

Ll begrijpt dat er meerdere verklaringen gegeven kunnen worden en dat deze afhangen van de vragen die we stellen en ons tijd- en plaatsgebonden perspectief. Tegelijkertijd begrijpt de leerlingen dat er criteria zijn (bewijs, argumentatie) om de kwaliteit van een verklaring te toetsen.

MENU